nleniw

Johan Schep

We gaan naar de overkant

Lezen: Marcus 4:35-5:15

De nadruk in het evangelie van Marcus ligt op het feit dat Jezus de dienende Knecht is. Zo ook in dit gedeelte. Na een intensieve dag besluit Jezus naar de overkant van het meer te gaan. Hij weet waar mensen in geestelijke nood verkeren. Zijn ogen gaan over de hele aarde (2 Kron. 16:9a). Ik heb dit zelf op 21-jarige leeftijd

ondervonden in de woestijn van Israël. Mijn hart verlangde naar de Heere, die Zich door Zijn Woord aan mij begon te openbaren. Ik heb Jezus aanvaard en Hij heeft het roer van mijn leven overgenomen. Als we dit gedeelte in Marcus 4 en 5 lezen, dan valt het op dat er vaak boven staat: de storm op het meer. Maar daar gaat het niet om. Jezus zegt: We gaan naar de overkant. Er is een bestemming!

 (1) Jezus zei: We gaan naar de overkant! Hij zei niet: We gaan verdrinken. Wij mogen als gelovigen nu al weten dat er een eeuwig huis wacht (2 Kor. 5:1). Wij mogen ook weten dat alle dingen ten goede meewerken (Rom. 8:28).

(2) De discipelen zijn niet zoals Jona ongehoorzaam, maar gehoorzaam. Dat is pas leven! De Heere Jezus is in onze levensboot, met de wind in de zeilen!

(3) In het pad van de gehoorzaamheid komen ze samen in de storm terecht. Als ze ongehoorzaam waren geweest, hadden ze de storm kunnen vermijden. Maar het is beter met Jezus in de storm, dan alleen op het strand.

(4) Jezus ligt rustig te slapen tijdens de storm met Zijn hoofd op een kussen. Hij is de Schepper (Kol. 1:16). Zijn eigen woord is waar: We gaan naar de overkant.

(5) De discipelen maken zich ongerust vanwege de hoge golven. Zij vergeten Zijn belofte over de overkant. Zijn vrede was niet hun deel, want al hun aandacht ging uit naar de golven. Op die manier krijg je een verkeerd beeld van God. Je hoort het in hun gebed. Trekt U Zich er niets van aan, dat wij vergaan? Die gedachte kan zomaar opkomen, als we niet bezig zijn met Zijn beloften.

(6) De discipelen roepen (bidden) in hun angst tot Jezus. Alles wat ons tot bidden brengt, is een zegen. Het raakte mij toen ik las dat Hij wakker werd. De storm maakte Jezus niet wakker, maar het gebed van Zijn discipelen wel!

(7) Jezus ziet geen moeilijkheden, wel mogelijkheden. Met één woord bedaart Hij de storm. Het water erkent zijn Schepper! Het is makkelijker voor Jezus om een stormachtige zee tot stilte te brengen, dan een stormachtig hart!

(8) De discipelen leerden door de storm weer iets nieuws van Christus. De stormen in ons leven maken ons bitter, of ze maken ons beter. De leerlingen zeggen verbaasd: Wie is toch Deze, dat de wind en de zee Hem gehoorzamen? Jaren later bevindt Petrus zich in een vreselijke storm, nadat hij tot geloof in Christus is gekomen en de Heilige Geest had ontvangen. De apostel Jakobus was al gedood, en de volgende morgen was het zijn beurt. Maar die nacht lag Petrus rustig te slapen in de gevangenis (Hand. 12:6).

(9) Jezus roept ons op het Goede Nieuws te verspreiden als het zaad van de wedergeboorte. Want de reden voor die moeizame reis door de storm was dat Hij als de Goede Herder een verloren schaap wilde zoeken en redden. Geen zee is te breed en geen storm te ruw, Hij wilde naar de overkant! Daar waren mensen die door de satan waren gebonden. Deze wereld is het domein van de satan, het machtsgebied van de duisternis (Kol. 1:13). Jezus is naar ons allen toe gekomen om ons te redden.

 (10) Er zijn drie invloeden aan het werk in de wereld waarin wij leven:

(a) de invloed van de satan. Hij is een dief, een leugenaar en een moordenaar. De man bij de graven verloor zijn huis, zijn zelfcontrole, zijn familie en vrienden. Hij leefde als een wilde man die zichzelf sneed en ook de buurt angst aanjoeg.

 (b) de invloed van de maatschappij. Ze deden hun best en isoleerden die man. Ze bonden hem, maar zij konden zijn innerlijke problemen niet oplossen.

 (c) de invloed van Jezus. Hij kwam liefdevol bij hem en bracht verlossing en bevrijding voor hem tot stand. Er staat dan: hij was gekleed en goed bij zijn verstand. Er is niemand te wild voor de Heere Jezus!

 (11) Er werden in deze geschiedenis ook drie vragen gesteld:

 (a) de eerste vraag kwam van de demonen. Ze vroegen of ze in de varkens mochten varen. Jezus zei: Ja! We zien duidelijk welke keuze die varkens toen maakten. Ze verdronken in de zee.

 (b) De tweede vraag kwam van de bevolking. Ze vroegen of Jezus weg wilde gaan. Hij is de Heer, en Hij zei weer: Ja! Hierdoor misten zij echter een grote kans op zegen. Aan de andere kant van het meer stond er juist een menigte met vreugde op Hem te wachten. Grote wonderen gebeurden daar: de genezing van de bloedvloeiende vrouw en de opwekking van de dochter van Jaïrus.

 (c) De derde vraag kwam van de bevrijde man. Hij kreeg ook antwoord, maar dit keer was het: Nee! Het woord 'nee' is ook een antwoord, maar het kwam van een Heiland vol liefde! Hebt u Jezus wel eens gedankt voor de gebeden die Hij niet verhoorde? Deze man werd op die manier de eerste zendeling aan de overkant van het meer. Hij getuigde thuis en in die landstreek met tien steden.

 Allen stonden versteld! De kracht van God ligt in het evangelie. De mening over Jezus veranderde in dat gebied aan de overzijde van het meer. De conclusie was later zo treffend: Hij heeft alles welgemaakt (Marc. 7:37). Als je die overtuiging meedraagt in je hart, dat Hij alles goed doet, dan ben je een gezegend mens. Dan mag je genieten van een leven in overvloed. Dat gun ik je zo, want Jezus wil en kan je redden. Hij is Dezelfde en Hij ziet je hart.

Ga naar boven